Daar bij die molen

Het ontstaan en de ondergang van een korenmolen aan het zuideropgaande.

De molen aan het zuideropgaande heeft net de honderd jaar niet kunnen halen, toen de slopershamer er voorgoed een einde aan heeft gemaakt. Het boven gedeelte is midden jaren "50 afgebroken en het onderste gedeelte werd in 1961 afgebroken en dat betekende het einde voor een beroemde korenmolen in hollandscheveld.

Arend Eshuis was in 1866 de stichter van de molen aan het zuideropgaande.(Lammert Wimmenhove schreef over hem) Arend Eshuis was het eerste gemeenteraadslid uit hollandscheveld in de gemeenteraad van Hoogeveen, dit was in het jaar 1883. Hij was 12 jaar gemeenteraadslid van de gemeente Hoogeveen voor welke partij heb ik helaas niet meer terug kunnen vinden. Aan de westkant van het zuideropgaande voor ons was dat de smalle kant, deze kant was vanaf de Carstensdijk tot aan de gereformeerde school begaanbaar via een zandpad en over elke wijk lag een vonder in de vorm van een houten plank van ongeveer40 cm breed. Daarnaast aan één kant een houten paal die als leuning dienst deed. Aan de oostkant lag een verhard fietspad met over elke wijk een ijzeren brugje van80 cm breed en aan weerskanten een ijzeren leuning. Je kon gemakkelijk over deze brugjes fietsen! Zelfs de bakker met zijn brede mand voorop de transportfiets lukte dit toch nog vrij gemakkelijk
Recht voor de woning van Arend Eshuis lag een draaivonder. Deze draaivonders hadden ook maar aan één kant een leuning maar ze waren wat breder dan de vonders, ongeveer 60 cm. De wijk waaraan de molen stond was de calkoenswijk (in de volksmond de luie wieke genoemd) In 1866 werd Arend Eshuis eigenaar van een stuk grond tot aan de Rieghoogtensdijk. Eigenlijk te klein voor een boerenbedrijf en zo werd het idee geboren om een korenmolen te bouwen. Als het dan flink waaide was de molen in gebruik en in windstille periodes werd de akker bewerkt. Zijn vrouw Annigje Thomas was de dochter van een Ruiner winkelier en aangezien er ruimte genoeg was in de grote molenaarswoning runde zij hier tevens een buurtwinkel die was gevestigd in de noordoost kant van het grote huis en waar de hele buurt de nodige bootschappen kon doen.
In 1866 begon het echte malen op een eigen molen voor Arend Eshuis, zijn opleiding tot molenaar had hij gehad op de Ruiner molen en het getij had hij mee want de landbouw deed het in die tijd in ons land prima. Er werden toen goede prijzen gemaakt voor de diverse landbouwproducten.En als er niet genoeg koren en aardappelen verbouwd werden op de 950 bunder bouwland die Hoogeveen toen rijk was kon er altijd nog door de Hoogeveensche schipperij worden aangevoerd via een groot aantal waterwegen die tijdens het vervenen van Hoogeveen gegraven waren om de turf af te voeren.
Want Hoogeveen had in die tijd ook een grote naam op het gebied van schippers en scheepvaart, want veel beurtschippers hadden een dienst op Hoogeveen want het wegtransport mocht in die jaren geen naam hebben.
Hoewel de molen, de winkel en de boerderij een groot deel van zijn tijd in beslag namen vond Eshuis toch de gelegenheid om in 1883 zitting te nemen in de Hoogeveensche gemeenteraad.Hij was daarmee de eerste man in hollandscheveld die werd benoemd in die functie.
De gemeente Hoogeveen had in dat jaar (1883) 11488 inwoners. Ter vergelijking, in 2004 bijna 50000.
Twaalf jaar heeft Eshuis in het college de belangen van het zuidoostelijke deel van de gemeente verdedigd maar aangezien zijn werk en zijn leeftijd dit na 12 jaar hem toch te moeilijk werden stelde hij zijn zetel in de gemeenteraad ter beschikking.
Ook liet hij langzamerhand het molenaarswerk steeds meer over aan zijn zoon Dirk, toen een jonge man van 22 jaar die ook vele jaren molenaar is geweest. Dirk Eshuis had meerdere kinderen maar een daarvan zijn zoon Hendrik heeft eind jaren 30 het molenaarswerk overgenomen. Tot in de jaren 50 is er in de molen aan het zuideropgaande nog koren gemalen, de molen was toen echter al behoorlijk vervallen de wieken draaiden al niet meer en de molenstenen werden aangedreven door een elektrische motor die in een soort machinekamer ernaast was ingebouwd.
Op 16 augustus 1949 werden molen en huis en erf van D Eshuis en kinderen samen groot 40 are op een publieke veiling in Hotel "Victoria" in Hoogeveen gekocht door mijn vader Berend Kikkert mijn vader was de oudste zoon van de bekende turfvaarder Jan Kikkert, mijn vader kocht in die tijd het hele spul voor een prijs van 4250- gulden van de erven Eshuis
   
De winkel was inmiddels al enkele jaren gesloten alhoewel de gehele inventaris er nog in stond en op zolder ook nog veel voor ons als 15 jarige knapen natuurlijk heel veel interessante spullen lagen om eens door te snuffelen en te onderzoeken wat er van onze gading was en wat we eventueel nog konden gebruiken.

Er brak voor ons toen een spannende tijd aan want wij waren niet anders gewend dan het wonen op een wijk, en aan het zuideropgaande woonde je echt in een buurtschap, op de wijk waren de mensen veel meer op elkaar aangewezen daar was de naoberhulp eigenlijk veel meer van toepassing.Het molenaarshuis was een heel groot huis welke aan de zuidkant nog bewoond werd door Hendrik Eshuis .
Hendrik Eshuis was dus de derde generatie als molenaar doch tevens ook de laatste want het werd steeds slechter in de malerij en na enkele jaren is hij dan ook noodgedwongen gestopt als zelfstandig molenaar en is verhuist naar Hoogeveen want huur betalen aan een gewone landarbeider vonden ze beneden hun stand
Mijn vader heeft het huis laten verbouwen door Hein Damming van Hollandscheveld. In de lengte is dwars door het hele huis een brandmuur gemetseld tot aan de nok toe en van de winkel is een woonkamer en een eetkeuken gemaakt met beneden ook nog een slaapkamer en in het grote achterhuis werden verder nog een douche en een wc gebouwd wat natuurlijk voor ons een geweldige vooruitgang betekende..Ja een echte douche met warm en koud stromend water nou dat waren we achter op die wijk niet gewend
In ons oude huis op de jeulenwijk wasten wij ons in een emmer water welke wij uit de wijk putten en nog weer wat later hebben we een regenbak in de grond gegraven. Dat was dus al weer een hele verbetering alhoewel het nog wel eens voorkwam dat bij een droge zomer de bak droog kwam te staan want als het niet regende kwam er geen water in de bak en die stond dan dus na enkele weken totaal droog.

    

In het midden van de jaren 50 werd er door de familie Eshuis steeds meer op aangedrongen om het bovenste gedeelte van de molen af te breken omdat het een gevaar ging worden voor de omwonenden vooral bij stormachtig weer wilde er nog wel eens wat naar beneden komen want onderhoud was er de laatste jaren niet meer gepleegd maar aangezien mijn vader maar een doodgewone landarbeider was die geen geld had voor onderhoud en nog minder voor afbraak probeerde die dat natuurlijk zo lang als maar mogelijk was uit te stellen maar dit kon natuurlijk niet eindeloos doorgaan en uiteindelijk werd de druk ook van gemeentewege zo groot dat er naar een oplossing gezocht moest worden en die werd gevonden in de vorm van een molensloper die bereid was in ruil voor het vrijkomende materiaal het gedeelte tot de tweede zolder af te breken en hij moest er verder voor zorgen dat op de tweede zolder de molen weer waterdicht werd en aldus geschiede in het jaar 1954 het betekende teven dat een beeldbepalend bouwwerk voorgoed uit het zicht verdween.
Tot eind 1960 heeft de familie Eshuis nog aan het zuideropgaande gewoond toen zijn ze vertrokken naar Hoogeveen waar Hendrik Eshuis een baantje heeft aangenomen bij de conservenfabriek van Lucas Aardenburg alwaar hij tot zijn pensioen heeft gewerkt. Begin 1961 is het restant van de molen afgebroken
In hetzelfde jaar is het zuideropgaande gedempt en nu is er van deze prachtige hollandscheveldse korenmolen geen spoor meer te bekennen.